Breda is de stad van de beeldcultuur

In Breda gaat het regelmatig over beeldcultuur. Maar wat heeft dat eigenlijk met de praktijk van creatieven en ondernemers te maken?

Helaas hebben we niet meer de rechten op de originele afbeelding
adformatie

Ik weet niet precies wanneer dat begrip voor het eerst om de hoek kwam kijken, maar dat zal zo rond 2008 geweest zijn. Breda zocht naar een manier om zich te profileren en vond dat in beeldcultuur. Op zich niet eens zo gek. In 2008 openden de deuren van het Graphic Design Museum (nu ) en de stad had drie mooie festivals: het , en een filmfestival.

In 2010 richtte de gemeente het op. Het &;Huis&; stelde zich ten doel de zichtbaarheid en het economisch potentieel van beeldcultuur in Breda te vergroten. ‘Het Huis werkt toe naar een sterke beeldcultuursector door samenwerking binnen de sector te stimuleren en de verbinding te zoeken met partners en andere sectoren, zoals bedrijfsleven, onderwijs en overheid.’, aldus de site. Het Huis is ook verbonden aan het . VIVID staat voor Value Increase by Visual Design. Ook dat netwerk stelt zich ten doel om de sector een economische boost te geven. En ook hier gaat het om het verbinden van onderwijs, overheid en bedrijfsleven.

Beeldcultuur is een politieke term
Dat is natuurlijk allemaal prima, en tóch heb ik er moeite mee. Het gaat namelijk over mij en mijn vakgebied. Niet omdat ík dat denk, maar omdat Breda dat vindt. Ik heb een hekel aan het woord ‘beeldcultuur’. Het heeft geen betekenis voor mij in mijn beroepspraktijk. Ik werk nu zo’n 15 jaar elke dag met ontwerpers en andere creatieven en dat woord is in een professionele setting nog niet een keer over tafel gekomen.

Ik werk even lang met opdrachtgevers, met organisaties, met vraagstukken van bedrijfskundige aard, en ik zweer je, ook daar is nog nooit over beeldcultuur gesproken.

Er is niks mis met het woord beeldcultuur gekoppeld aan fotografie, film, grafisch ontwerp of wat voor uiting van beeld dan ook. Maar beeldcultuur is een museumterm. Je kunt er exposities of festivals over organiseren. Je kunt onderzoek doen naar beeldcultuur, dan is het een wetenschappelijke term. Maar beeldcultuur is vooral een politieke term. Zoals Mieke Gerritsen overigens ook al zei tijdens een debatreeks in Zaal de Unie in Rotterdam in het jaar 2000. Een politieke term dus en dat geldt zeker voor het woord beeldcultuur in de context van Breda.

Beeldcultuur is een onhandige term. Hij leidt af. Het tweede deel van het woord is veel te dominant. Kijk maar naar de activiteiten waar het Huis voor Beeldcultuur over publiceert. Die gaan over cultuur en zijn gericht op het publiek en/of op makers. Geen enkel evenement gaat over het verbinden van makers (en het onderwijs) met het bedrijfsleven.

Het eerste deel van het woord ‘beeld’ is ook al niet handig. Dat is te eendimensionaal. Zoals ook ‘Visual Design’ bij VIVID te eenzijdig, te plat, te beperkt en te beperkend is. De grote toegevoegde waarde van creatieven zit ‘m niet in het vermogen een beeld te creëren of iets visueels te ontwerpen. De grote toegevoegde waarde zit ‘m in hun creativiteit, in hun vermogen om anders te denken. 

Economisch potentieel
Als je het economische potentieel van ‘beeldcultuur’ wilt ontsluiten dan moeten je activiteiten primair gericht zijn op het verbinden van organisaties met creatieven en andersom.

Je moet aan de slag met vragen als: hoe kunnen organisaties profiteren van de competenties van creatieven? Hoe zorgen we voor een betere aansluiting van ontwerpers op de praktijk van organisaties? Hoe ontwikkelen we opdrachtgeverschap maar ook: hoe verbeteren we het opdrachtnemerschap?

Als je opdrachtgevers wilt stimuleren om met creatieven te werken dan moet je laten zien wat creativiteit voor die organisaties op kan leveren. Klip en klaar.

Als je creatieven wilt verbinden aan organisaties en aan bedrijfsdoelstellingen dan moet je ze laten zien hoe hun competenties van toegevoegde kunnen zijn voor het bedrijfsleven.

Proces van verbinden
In dat proces van het verbinden van opdrachtgevers en creatieven neemt het onderwijs een centrale rol in. In het geval van Breda zijn de , de opleiding en de kunstacademie zeer relevant.

Welke rol de gemeente zou moeten spelen hangt af van de motivatie en de ambitie van de gemeente, maar ook van de kennis en de ervaring die zij heeft. 

Als Breda beeldcultuur ziet als een waardevolle claim in het kader van citymarketing, laat de stad het dan vooral bij het culturele houden.

Als Breda de ambitie heeft om een impuls te geven aan creatieve bedrijven en bedrijvigheid, dan denk ik dat de visie en de expertise ontbreekt om dat proces op een goede manier te ondersteunen of te stimuleren.

Verantwoordelijkheid
Tenslotte denk ik dat het totstandbrengen van een relevante verbinding tussen organisaties en creatieven, primair een verantwoordelijkheid is van de ondernemers zelf. Zij moeten elkaar vinden, zij moeten elkaars taal leren spreken en zij moeten de waarde die zij voor elkaar hebben willen ontdekken. Simpelweg omdat daar geld te verdienen valt. Aan beide kanten.

Niet omdat je als ontwerper een bijdrage wilt leveren aan ‘beeldcultuur’, maar omdat je een bijdrage levert aan het realiseren van bedrijfsdoelstellingen. Daar moet de focus liggen. En het goede nieuws is: beeldcultuur volgt dan vanzelf.

Plaats als eerste een reactie

Ook een reactie plaatsen? Word lid van Adformatie!

Word lid van Adformatie → Login →
Advertentie