Premium

50 jaar inspiratie met Ismael ten Heuvel: 'Van iedere film die ik regisseer, probeer ik een levensverhaal te maken’

Random Pic(k) Of The Day For A Week. Nils Adriaans vraagt vakgenoten naar hun inspiratie. Ditmaal regisseur Ismael van Pink Rabbit.

Ismael als kleine jongen

Deze week was regisseur Ismael ten Heuvel van productiemaatschappij Pink Rabbit curator van 'n speciale Random Pic(k) Of The Day For A Week ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van Adformatie. Vijf dagen lang deelde hij zijn inspiratie op de LinkedIn-pagina van Nils Adriaans en Adformatie (één bijdrage per dag).

Wij vroegen hem naar zijn inspiratiebronnen van de afgelopen decennia. Het werd een persoonlijke reis door het Amsterdamse leven van de regisseur in het vorig en huidige millennium.

Hier zijn 5 bijdragen: 

1. De jaren ‘70 – ‘Ik heb reclamefilmpjes altijd al het leukst gevonden’

'Ik moest wel even slikken omdat 50 jaar een lange tijd is en het daardoor meer een levensverhaal wordt. Ikzelf ben pas sinds 1994 in de reclame actief, maar ik was altijd al gebiologeerd door verhalen en beeld.

Ik begin dus met de jaren ‘70: voor mij persoonlijk het eerste decennium waarin ik net als Adformatie, rond kon kijken en iets kon voelen van het leven. En te voelen viel er genoeg. Ik ben geboren in de binnenstad van Amsterdam dat toen nog een behoorlijke puinhoop was en dat kwam niet door de toeristen, maar doordat er te veel mensen op een kluitje woonden in de Jordaan. Het was een armetierige bende, maar wel gezellig. Het was de tijd dat m’n hele familie nog bij elkaar op de trap woonde. En een ‘mooie’ tijd, gezien door de lens van Ed van der Elsken.

Mijn biologische vader verliet ons en Amsterdam toen ik 5 was en ik bleef alleen achter met m’n moeder. Het enige dat ik mij daarvan nog herinner is dat we geen geld hadden en iedere dag een blik Unox-soep aten met brood; ik had de keuze tussen champignon of tomaat. Grappig, is dat een van de eerste commercials die ik maakte (toen nog als creatief) was voor Unox.

Ik ben opgegroeid met Barbapapa, Het Molletje en Tita Tovenaar. Allemaal behoorlijk psychedelische kinderprogramma’s. Veel tv was er nog niet en ik mocht van m’n moeder opblijven totdat Loekie geweest was. Best bijzonder dat ik de reclamefilmpjes toen al het leukst vond. 

Reclame was, net als in de tijd dat ik zelf ging werken in de reclame, iets dat grappig was, iets waar je als kind om kon lachen. Ik kan me nog herinneren dat er een Heinz ketchup-commercial was waarin een man zo hard aan de fles moest draaien dat er een kronkel in de fles kwam. Dat was echt om je te bescheuren.

Maar mijn favoriet was toch wel Mr. Edet waarin een geanimeerd mannetje door het beeld liep en stukken keukenrol aangaf waar nodig. Daar zat een liedje als een oorwurm onder, dat wij dan weer uit ons hoofd kenden en waarop wij op school andere variaties bedachten.

Na alle Disney-klassiekers wel gezien te hebben in de bios met m’n moeder als Dumbo en Bambi, die altijd over moeder-kind-relaties gaan, was het wel een eye opener op negenjarige leeftijd om de film Cría cuervos te zien bij mijn tante die een Spaans taleninstituut had. Die film ging over de achtjarige Ana, die er per ongeluk achter komt dat haar vader vermoord is. Ik werd bij het zien van deze film bevangen door het verhalen vertellen in de vorm van beeld. Deze film werd ook nog ondersteund door de toenmalige hit Porque te vas die bij mij tot op de dag van vandaag is blijven hangen als een mantra. ‘Omdat je weggaat.’ Prachtige symboliek bij mijn verlatingsangst. Mannen zijn onbetrouwbaar en spannend dus moest ik op zoek naar goeie mannelijke voorbeelden in m’n leven. 

Nou hoeft mijn hele leven niet te klinken als een smartlap, maar misschien is dat wel het werk dat ik het liefste maak: smartlappen, volkse meezingers in beeld. Als ik had kunnen zingen had ik het levenslied op die manier verkondigd.’

2. De jaren ‘80 – ‘Mijn moeder kon het mooiste tekenen van de wereld’

‘Bij ons in de Jordaan had je Willy Alberti en Johnny Musscher (Jordaan), maar mijn favoriet was toch wel André. Mijn moeder had toen samen met mijn stiefvader een kroeg in Amsterdam; een buurtkroeg waar op de openingsdag de film Joep Meloen met André van Duin werd opgenomen. Ik weet nog dat er een filmcrew van vijftig man voor de deur bezig was en mijn moeder nog geen biertje kon tappen. Mijn moeder was tot dan juf voor kindjes met een beperking geweest. Zij schreef voor hen verhalen en tekende daar karaktertjes bij die het verhaal ondersteunden; zij kon het mooiste tekenen van de wereld. Zij was mijn inspiratie voor tekenen, al ben ik nooit zo goed geworden als zij. Mooi eigenlijk dat mijn moeder tot dan toe mijn grootse inspiratie was – zeker bij gebrek aan een vader. Zonde ook dat zij daarmee stopte, al wilde ik op dat moment net zo’n grote clown worden als André van Duin.

Voordat mijn ouders in 1982 de kroeg samen begonnen, had mijn stiefvader een discotheek op de Oudezijds waar The Sugarhill Gang optrad. Mijn stiefvader was niet het beste voorbeeld voor een jongen van mijn leeftijd zal ik maar voorzichtig zeggen, maar dit gaf hij mij toch maar mooi mee. Voor mij gingen de jaren ‘80 dus over hiphop en niet over de Dolly Dots. Ik zat eerst op het Amsterdams Lyceum, waar ik niet aardde, maar wel met graffiti begon. Ik hoefde van de leraren daar dan ook niet mee te doen aan de les en gaven mij een paar potloden en een stuk papier, zolang ik mijn mond maar hield.

Het café van mijn ouders was een jazzkroeg. Mijn opa had de Cotton Club op de Zeedijk en de Casablanca, dat waren de beruchtste jazzclubs uit de jaren ’60 en ’70. M’n stiefvader hield maar van één man en dat was Miles Davis. De enige keer dat ik de man heb zien huilen was toen Miles stierf. Dat gaf mij wel de inspiratie voor jazz – zeker bij het zien van de film Op weg naar het schavot. Hoe briljant hoe muziek en beeld hier samenkomen. Miles heeft deze soundtrack in één nacht bij elkaar gespeeld.

Opgroeien in Amsterdam was toen echt een feest. Wel moest ik van school en werd in Buitenveldert geplaats op een lomschool (school kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, red.) waar ik Darre van Dijk leerde kennen en mijn passie voor hiphop en graffiti kon delen. We werden samen aangenomen op de Junior Academie waar we beter werden in typografie dan die ‘onleesbare tekens’ van ons op de muren volgens onze leraar, haha!

De jaren ‘80 waren ook de jaren dat je er in Amsterdam veel gebeurde op het gebied van kunst. We gingen ooit samen met Keith Haring de metrotunnel in onder het Waterlooplein – ik had toen nog geen flauw idee wie die gozert was. Ik weet wel dat ik heel erg tegen hem op keek omdat hij helemaal zijn eigen stijl had.'

Darre van Dijk (l.) en Ismael (r.) als tieners in het midden
Darre van Dijk (l.) en Ismael (r.) als tieners in het midden

3. De jaren ‘90 – ‘Reclame was een ongenodigde gast bij mensen thuis, dus je moest maar zorgen dat je een leuke gast was’

'Voordat ik in de reclame begon, werkte ik in coffeeshop Prix d’Ami op het Damrak en vanuit daar gingen we vaak naar illegale raves op aparte plekken. De hiphop-scene liet ik in deze tijd wel los, geen Club Aknathon meer, maar lekker dansen op housemuziek die eigen verhalen creëerden in je hoofd. Vanuit de coffeeshop kwam ik terecht bij Jam, toen het opleidingsbureau van LaMarque, op de Prinsengracht bij het Leidseplein, waar we mochten werken voor ‘echte’ klanten als Heineken en Greenpeace.

In de jaren ‘90 was reclame een ongenodigde gast bij mensen thuis, dus je moest er maar voor zorgen dat je een leuke, humorvolle gast was naar wie mensen wilde luisteren. Paul Meijer maakte in die tijd de Mazda-reclame met de dwergen. Alles mocht en moest gek. In Engeland ging het er niet anders aan toe en keken wij met een jaloerse blik naar de Tango-commercials en het werk van The Economist. En bij Lintas hadden ze net de Rolo-olifantreclame en de No Nuts, No Glory-campagne gemaakt, dus de lat lag lekker hoog.

Daar leerde ik ook mijn ex-vriendin Wanda van Damme kennen die mij introduceerde in de filmkunst. Ik moest van haar alle Japanse films kijken van Takeshi Kitano en filmhuisklassiekers als C’est arrivé près de chez vous (internationaal getiteld Man Bites Dog, red.), La Haine, et cetera. Dat gaf mijn blik op film maken een andere richting en zij was ook degene die tegen mij zij: ‘Waarom ga je niet gewoon regisseren?’ Dat was een goed idee…

Maar het was eigenlijk pas tot Diederick Koopal, mijn creatief directeur en mentor in die tijd, ineens de Unox-film maakte met de Nieuwjaarsduik (zie hieronder, red.) dat ik zag hoe mooi emotie in reclame kon zijn, en dat het dus niet altijd alleen maar grappig hoefde te zijn om mensen te bereiken en te raken. Ik maakte mijn volgende stap.'

De originele Nieuwjaarsduik-commercial voor Unox

4. De jaren ‘00 – ‘Ik heb het heel lang gezocht in vorm’ / ‘Ik vond mijn muze, Mireille Lampe’

'Rond 2003 besloot ik zelf te gaan regisseren omdat het maken, het ambacht, mij steeds bleef trekken. Matthijs van Heijningen jr. maakte zulke mooie films voor Nederland, maar ook Sven Super was voor mij een echte inspiratiebron. Als ik met hen werkte als creatief dan dacht ik, dat wil ik ook!

Ik heb het heel lang gezocht in vorm; ik was tenslotte lang artdirector geweest en deed naast film veel print en vormgeving. Mijn films wilde ik er dan ook laten uitzien als Buffalo ‘66 of U-Turn van Oliver Stone. Iets wat in die jaren in de reclame steeds minder gewaardeerd werd – alles moest naturel en het liefst zo gewoon mogelijk, maar wel met een lach.

Ik vond mijn muze, Mireille Lampe. Zij zag het licht in mij dat ik zelf nooit zien kon. Samen begonnen we productiemaatschappij Pink Rabbit, maar gingen ook een relatie aan met alle hobbels die er te nemen waren. Zij leerde mij dat alles mogelijk is als je maar echt wil, eerlijk bent naar jezelf en daarmee ook naar anderen. Ook zij kwam uit een gezin met afwezige vaders en moeders (inclusief stiefouders), maar had als kind al besloten het zelf te doen en het geluk niet bij anderen te zoeken.

Ik neigde eerst nog meer naar films met veel drama. Fight Club, vechten met je eigen ego, of Requim for a Dream, dat soort meeslepend werk. Vluchten en van jezelf weggaan, destructiviteit. Vorm en verhaal. En toen zag ik JC Penney: The Aviator van Fredrik Bond, dát wilde ik ook. Veel emotie, maar minder drama…

Misschien werd het tijd een mentor buiten het veld van reclame zoeken. Om mijn drama – ik worstelde nog steeds met een slecht vaderlijk voorbeeld – te beteugelen.'

Van de Zweedse regisseur Fredrik Bond

5. De jaren ‘10 – Een hoge prijs + De jaren ‘20 – ‘Ik vind het vak zo leuk’ en (nog steeds) groen van jaloezie

'Ik mocht mijn eerste mini-fictieverhaal maken voor Campina. Dat was eigenlijk de aftrap voor alle kerstfilms die daarna kwamen (lees hier het interview met 'kerstcommercialregisseur' Ismael van eind 2021: 'Ik zie mezelf als een reclamebewaker, red.'). Ik leg altijd iets van mezelf in zo’n filmpje waardoor het eigen wordt; kom daar dus niet aan, want dan kom je aan mij, haha! Maar het heeft wel succes.

In deze jaren vierde ik de grootste successen van m’n carrière. Daarvoor betaalde ik een hoge prijs, want als je ego leert, leert je superego met je mee en dacht ik dat ik de wereld aankon en iedereen op mij zat te wachten. In 2017 hadden we vijftien ADCN-nominaties en liep ik met een tasje vol Lampen het podium af. De schaduwzijde: ik was wel teruggevallen in mijn oude script en daarmee behoorlijk destructief bezig en dat kostte mij bijna mijn relatie – ware het niet dat Mireille nog steeds bleef uitreiken naar mij, terwijl ik met andere dingen bezig was. Hier ben ik het meest dankbaar voor. Iemand die wel in het goeie in mij gelooft, terwijl ik mezelf nog steeds niet goed genoeg vond.

Ik wilde meer te weten komen over waarom mensen zich gedragen zoals ze zich gedragen en begon een vierjarige opleiding bij Phoenix in Utrecht, brandde mijn oude ego tot de grond af en probeerde een nieuw script te schrijven voor mijn leven.  Dit was een belangrijke tijd waarin ik anders naar de mens en zijn, haar of hun verhaal ben gaan kijken.

Tenslotte, de jaren '20 - de afgelopen 3,5 jaar. Een typische anekdote: begin dit jaar brak ik m’n been, maar verscheen wel - in het gips -  op het podium bij de Gouden Loekie-uitreiking in het Tropenmuseum in Amsterdam voor de kerstfilm van Staatsloterij en TBWA\Neboko (zie hieronder, red.). Ik was niet van plan te gaan, Mireille zou gaan. Vlak voor aanvang zei de organisatie tegen haar dat meneer Ten Heuvel toch maar beter wel kon komen. Niet voor niets, zo bleek.

Ik vind het (reclame)vak zó leuk en hoop dat het ambacht blijft bestaan als ik straks zelf niet meer meedoe. Zoals ik ooit de kans kreeg bij Jam, hoop ik dat ik mijn ervaring door kan geven aan de nieuwe generatie. Wij hebben daar bij Pinkrabbit ‘X Collab’ voor bedacht, waarbij ik samenwerk met jongere regisseurs en ze zo een groter podium kan bieden, dan ze anders zouden krijgen; dat versnelt hun ontwikkeling. 

Zelf zou ik nog wel iets langers willen maken dan zestig seconden. Als ik dan kijk naar zo’n film als Triangle of Sadness zie ik groen van jaloezie. Dat je iedere scène met een levensvraag begint, prachtig! Dan komt de liefhebber van het levenslied weer in mij boven.

Ik maak natuurlijk geen liederen, maar van iedere film die ik maak probeer ik wel een levensverhaal te maken, of iets van mijn eigen leven in te leggen. Hoe dichter ik het script naast mijn gelopen pad krijg, hoe mooier ik het vind.'

Komende week is Leo Hensen, Director Marketing & Communications Odido Nederland, curator van #RPOTDFAW.

premium

Word lid van Adformatie

Om dit artikel te kunnen lezen, moet je lid zijn van Adformatie. 15.000 vakgenoten gingen jou al voor! Meld je ook aan met een persoonlijk of teamabonnement.

Ja, ik wil een persoonlijk abonnement Ja, ik wil een teamabonnement
Advertentie