Premium

Tessa Steenkamp: 'Ik verkoop vooral een visie'

In de serie Creative Achievers gaat Wouter Boon op zoek naar de geheimen van creatief succes.

Tessa Steenkamp

Tessa Steenkamp, geschoold als industrieel ontwerper en architect, is uban interaction designer. Ze houdt zich vooral bezig met hoe gebouwen en apps kunnen interacteren met mensen. In die hoedanigheid werkt ze samen met overheden, architecten en techbedrijven. Onlangs richtte ze haar eigen bureau op, Bits of Space.

Advertentie
advertisement
WB: Kun jij je nog je eerste creatieve bezigheden herinneren?
TS:

‘Bij creatief denk je natuurlijk meteen aan tekenen, schilderen en knutselen. Dat deed ik ook wel, maar ik was als kind vooral op verkenning in de buurt, op zoek naar avontuur. Ik wilde overal op- en inklimmen. Hutten bouwen was ook echt een groot deel van mijn jeugd.’

WB: Toen al bouwkundig?
TS:

‘Ik denk vooral dat het gewoon over de maakbaarheid ging, niet zozeer over het bouwen zelf. Al was het wel zo dat als mijn vader een schommel in de tuin bouwde, ik ook echt wilde helpen.’

WB: Uit wat voor een gezin kom je?
TS:

‘Mijn ouders zijn allebei journalist. En wat journalisten heel erg hebben, is dat ze iets onderzoeken en daardoor in een bepaalde subcultuur staan. Maar tegelijkertijd moeten ze toch ook een soort neutraal perspectief behouden. Mijn moeder nam mij bijvoorbeeld mee naar Ruigoord om te kijken hoe zo’n krakersdorp er nou uitzag. En ik denk dat je dat als ontwerper ook moet hebben; je helemaal ergens in verdiepen, maar ook afstand kunnen houden. Zo heb ik leren kijken van mijn ouders.’

WB: En hoe kwam je bij Industrial Design in Eindhoven terecht?
TS:

‘Ik ging naar allerlei open dagen en toen kwam dat op mijn pad.’

WB: Was je een bèta?
TS:

‘Ja, ik was wel echt een nerd, maar wel een heel sociale. Ik had een Natuur & Techniek-vakkenpakket, maar ook een aantal culturele vakken, waaronder kunstgeschiedenis.’

WB: Wat sprak je aan in industrieel ontwerpen?
TS:

‘Tijdens de open dag kwam ik erachter dat het niet zozeer ging over productontwerpen, als wel over wat een product doet met de mensen die het gebruiken. En hoe het hun gedrag verandert. En dat het dus over veel meer gaat dan alleen over producten.’

WB: Bleek het een goede keuze?
TS:

‘Het was fantastisch. Een superrijke opleiding, die pas tien jaar bestond. Je mocht alles zelf invullen, als je maar kon beargumenteren waarom je iets wilde doen en hoe dat aan jouw groei als ontwerper bijdroeg. Projecten waren ook heel praktijkgericht, dus we hadden meteen externe klanten, zoals Philips, Redbull en Het Eindhovens Dagblad.’

WB: Hoe kwam je in de architectuur terecht?
TS:

‘Ik ging stagelopen bij Daan Roosegaarde, die was nog niet zo bekend, maar had wel al een interessante visie op hoe je technologie kunt gebruiken voor interacties tussen mensen in de openbare ruimte. Als ik daarin verder wilde, dan moest ik architect worden, vond ik, want dan moest ik begrijpen hoe je die interactie kunt integreren in de straat.’

WB: Waarom ging je solliciteren bij de Architectural Association in Londen? Niet echt de makkelijkste keuze.
TS:

‘Ik wist niet dat het zo’n prestigieuze school was, want ik was geen architect. Maar ze hadden daar wel een heel interessante Master, Emerging technologies and design.’

WB: Waarom werd je toegelaten, denk je?
TS:

‘Nou ik had een heel brutale brief geschreven, dat ik architec- tuur echt ontzettend ouderwets vond en dat alles al eeuwen op dezelfde manier werd opgelost. Dat je ook anders kon kijken naar de interacties tussen mensen in gebouwen. Nú weet ik dat het gevaarlijk is om een architect te vertellen wat architectuur zou moeten zijn, maar ik doe het toch nog wel eens.’

WB: En waar studeerde je op af?
TS:

‘Mijn afstudeerproject heette ‘permanently temporary’ en ging over de invloed van sociale media op hoe we als subculturen door de stad bewegen en hoe je daar met architectonische interventies op kunt inspelen.’

WB: Niet echt klassieke architectuur...
TS:

‘Nee, eigenlijk studeerde ik af met een algoritme. Ik ken nog steeds niet veel mensen die op hetzelfde vlak werken als ik.’

WB: Wat was je eerste baan?
TS:

‘Ik ging werken voor een kunstenaarscollectief annex tech-start up in London. Wat zij onder andere deden was de interactie tussen verschillende subculturen bevorderen. We maakten bijvoorbeeld een soort augmented reality-app, waarmee je de straat kon scannen en verschillende mensen tegenkwam die een persoonlijk verhaal vertelden over de buurt. Daardoor zag je de buurt door de ogen van iemand anders.’

WB: Daar zou Google ook wel iets mee kunnen in Street view...
TS:

‘Ik denk dat Google met zijn producten andere doeleinden heeft.’

WB: Als je gebruik maakt van Google's gratis diensten, zou je ook kunnen denken: dan mogen ze best wel wat informatie van mij hebben.
TS:

‘Ik denk dat het probleem met Google is dat je niet ziet welke informatie ze van jou verzamelen, wat ze ermee verdienen en wat ze ermee doen. Dat is totaal niet transparant.’

WB: Denk jij soms weleens té ver vooruit met je projecten? Dat de stad er misschien nog niet helemaal klaar voor is?
TS:

‘Ik denk dat je als ontwerper altijd bezig bent met in de toe- komst kijken. Tegelijk ben ik bezig met dingen die er al lang zijn, maar die we niet zien. Bijvoorbeeld de scanauto, zo’n auto die met twaalf camera’s op het dak nummerborden scant en bekeuringen uitdeelt. Het is de eerste echte smart city-toepassing die door veel gemeentes is overgenomen. Ik denk na over hoe we die auto transparanter en interactiever kunnen maken, want de bestuurder mag bijvoorbeeld niet met jou in gesprek gaan – hij is een soort ‘slave to the machine’. Alleen als voor iedereen duidelijk is wat die auto doet, kunnen we er democratische beslissingen over nemen.’

WB: Maar die auto schrijft toch alleen maar parkeerboetes uit?
TS:

‘Twaalf camera’s is voor parkeerboetes uitdelen natuurlijk best wel een heftig middel. Het is een auto die de buurt scant, maar wát precies weten we niet. Sommige gemeenten voegen er functies aan toe. Hier in Amsterdam kijken ze bijvoorbeeld naar zwerfafval en dan sturen ze er een vuilnisman op af. Op zich prima. En in Rotterdam, waar ze overigens teruggefloten zijn, gingen ze een stapje verder; daar keken ze tijdens de lockdown of mensen wel anderhalve meter afstand hielden. Ik vind dat dat ding niet goed communiceert wat het doet en dat we daarom niet het gesprek erover kunnen aangaan. Het is een beetje als de Google-producten die super seamless werken, maar je weet niet wat voor informatie ze verzamelen.'

WB: Je werkt veel samen met overheden. Is het lastig om die mee te krijgen in jouw toekomstvisies?
TS:

‘Soms wel, maar ik zie het als mijn plicht als ontwerper om mensen mee te nemen in mijn visie. Dat doe ik met overheden, architecten en technologiebedrijven. Het feit dat ik die drie jargons spreek, die culturen begrijp, maakt dat ik ze goed bij elkaar kan brengen. En dat gaat in verschillende tempo’s. Maar bij de overheid kan ik bijvoorbeeld uitleggen hoe snel technologiebedrijven werken, om er wat meer tempo achter te zetten. Zo probeer ik alle partijen een beetje uit hun eigen bubbel te trekken en elkaars perspectief te leren begrijpen.’

WB: Het spreken van verschillende jargons is sowieso nuttig in het innovatieproces, als er in silo's wordt gewerkt...
TS:

‘Ja, specifiek binnen mijn vakgebied merk ik dat de fysieke en digitale wereld nog totaal los van elkaar worden ontworpen. Die worden op elkaar geplakt, maar sluiten niet op elkaar aan.’

WB: Heb je een voorbeeld?
TS:

‘Een paar jaar geleden had je al die deelfietsbedrijfjes die van de een op de andere dag tienduizend deelfietsen in Amsterdam verspreidden. Daar was de stad niet echt op berekend. En nu heb je de elektrische scooters. Die apps zijn super- goed doorgedacht en geoptimaliseerd, maar niemand heeft nagedacht over het fysieke aspect ervan. En in gebouwen kom je het ook tegen, dat als het af is er een geautomatiseerd air- conditioningsysteem wordt opgetuigd terwijl je als gebruiker gewoon een raam wilt kunnen openzetten. Ik wil dat mensen het digitale systeem zelf kunnen aanpassen zonder dat ze gelijk hoeven te kunnen programmeren.’

WB: Je hebt sinds kort je eigen bedrijf, lukt het je om je product te verkopen aan potentiële opdrachtgevers?
TS:

'Ik verkoop vooral een visie, niet zozeer een product.'

WB: Ga je ook de boer op met deze visie?
TS:

‘Ja, ik geef lezingen. Maar ik hoef niet heel actief aan acquisitie te doen, want ben gewoon heel bevlogen over wat ik doe. Ik denk dat ik er daardoor makkelijk en veel over praat.’

WB: Wanneer vind je jezelf succesvol?
TS:

‘Dat verandert continu. Alle projecten die ik doe, evalueer ik en daardoor heb ik meteen weer een volgende versie ervan in mijn hoofd. En zo gaat dat ook met mijn eigen carrière.’

WB: Dus jouw succes is altijd van korte duur?
TS:

‘Dat klinkt een beetje negatief, alsof ik nooit tevreden ben. Maar het klopt dat het nooit af is, want er is geen einddoel. Ik ben gewoon lekker bezig en pas mijn doelen steeds weer aan.’

Luister naar het volledige interview met Tessa Steenkamp via creative-achievers.com of een van de bekende podcastplatforms. 

premium

Word lid voor € 1,-

Om dit artikel te kunnen lezen, moet je lid zijn van Adformatie. 15.000 vakgenoten gingen jou al voor! Meld je ook aan en betaal € 1,- voor de 1e maand.

Ja, ik wil lid worden
Advertentie