Journalistiek framen, hoe de waarheid op het hakblok eindigt

Veel tv-programma's zijn niet uit op waarheidsvinding, maar op de meerdere glorie van zichzelf. Daarbij vallen reputatieslachtoffers.

De directeur van Parkmobile, rechts op de rug gezien, mocht terugkomen bij Radar

Door Ingrid van Frankenhuyzen

Hij liep op de Ramblas in Barcelona, had al een flink paar vrolijke biertjes op en dacht slim te zijn: mobieltje in de voorzak van zijn spijkerbroek want ook hij kende de verhalen over de zakkenrollers op de beroemde ‘slenterboulevard’.

Eenmaal terug in het hotel kwam hij erachter dat zijn mobiel toch uit zijn spijkerbroek verdwenen was. Hij deed vervolgens eerst een dronkemansdutje en logde daarna op zijn laptop in op zijn account bij zijn telecomprovider.

Op dat moment moet hij voor het eerst hebben gezien dat de criminelen continu aan het bellen waren geslagen naar verre 06-achtige nummer. Hij ondernam geen actie, hoewel in de kleine letters van je voorwaarden staat dat je verplicht bent verlies of diefstal bij de politie te melden.

De man meldde zich ook niet toen de provider zelf zijn nummer had geblokkeerd toen algoritmes zeer ongewoon telefoongebruik hadden gesignaleerd. Er was desondanks binnen no time voor 10.000 euro gebeld.

In de dagen dat hij in Barcelona verbleef checkte hij meermaals zijn account. Eenmaal terug in Nederland kreeg hij een gepeperde rekening van de provider, zij het niet het volledige bedrag waarvoor gebeld was. Van de 10.000 euro hoefde hij gezien de ‘criminele omstandigheden’ sowieso maar 2.000 euro te betalen.

Grote rijke stinkerds

Dus wat gebeurt daarna? De man neemt contact op met een van de Kassa’s, Radars, Keuringsdiensten van Waarde, Max Meldpunten, Boos’en van deze wereld en de provider gaat in het programma op de grill: ‘Hoe kan het deze arme, zielige en onschuldige meneer die heel slim zijn mobiel goed opborg en toch beroofd werd door een stel vreselijke criminelen, nu duizenden, ja duizenden euro’s, moet betalen terwijl de provider de veiligheid voor zijn klanten niet op orde heeft?’

Thuis op de bank glunderen we, zo heerlijk als het voelt als de programma’s grote rijke stinkerds als verzekeraars, energiemaatschappijen, multinationals, enzovoorts aanpakken en opkomen voor ons als kleine man.

Wat je als organisatie vervolgens ook zegt: je staat bij voorbaat 1-0 achter. Ook al heb je het inhoudelijk gelijk aan je kant: de emotie wint het vrijwel altijd van de rede. In de uitzending zegt de zielige meneer nooit te hebben geweten dat de criminelen met zijn telefoon belden, daar kwam ie pas achter toen ie thuis de papieren rekening kreeg.

Dat is een aperte leugen, kan de provider zien aan online-gedrag van klanten, maar mag die die niet delen met het publiek vanwege alle privacywetten en kan die dus ook niet weerleggen.

De Kassa’s en Max Meldpunten van deze wereld weten dat ook en laten de kijker in de waan van meneers nalatigheid en zeggen niks over de eerdere 8000 euro kwijtschelding.

Ze zijn niet uit op waarheidsvinding maar op de meerdere glorie van zichzelf als programma: de provider die dankzij hen de hand over het hart strijkt en de zielige meneer de rekening in de uitzending helemaal kwijtscheldt. Als organisatie is dat op dat moment het hoogst haalbare: door de knieën te gaan, nog enige sympathie kweken en je reputatie redden.

 Van het gas af

Dit voorbeeld, vanwege de herkenbaarheid aangepast, is tekenend voor de inflatie van de journalistieke waarheid. Ik werkte jarenlang voor de zogenoemde kwaliteitsmedia en als ik niet aan hoor- en wederhoor, check dubbelcheck had gedaan, werd ik gekielhaald.

Tegenwoordig schrijft een van mijn oude werkgevers, een krant met 3 hoofdletters, op Twitter: het gerucht gaat dat… om in een volgende tweet te zeggen dat het toch niet bevestigd is. Als je het nieuws maar als eerste hebt.

Waarheidsvinding? Zooooo 2008. Onder offline en online mediadruk, de clickbaitcultuur of het (algoritmisch) pamperen van de doelgroep wordt alles vloeibaar. Het maakt het schrijven van dit verhaal lastig: elk concreet en soms choquerend voorbeeld dat ik kan geven over aperte medialeugens- en verdraaiingen is herleidbaar tot mijn klanten.

Maar het gaat me zozeer aan het hart dat er toch iets over gezegd moet. Zo langzamerhand begin ik me te schamen voor mijn (oude) beroepsgroep. In uitzendingen zitten altijd zielige oude mensen die van gas, licht en water werden afgesloten. Dat ze al een jaar niet betaald hadden, er hele hulpverleningsprojecten op zaten, weet niemand. De boef is de energiemaatschappij. Heerlijk amusement.

Nog zo’n voorbeeld: een klant lag onder vuur en een serieuze kwaliteitskrant wilde een reactie op de beschuldiging van diens veronderstelde persoonlijk falen. We geven via de mail antwoord op de vragen en beschrijven ‘de compleet andere kant van verhaal’; keurig hoor- en wederhoor dus van de krant.

Wat er dan gebeurt is kenmerkend voor de druk waaronder journalistieke verhalen gemaakt worden: tijdens de research komen de makers/schrijvers erachter de werkelijkheid anders ligt of op z’n minst heel veel genuanceerder dan ze dachten. Maar ja, dan heb je geen verhaal meer, terwijl het frame al in elkaar getimmerd was. Dus moet het verhaal er hoe dan ook in passen. In dat frame is geen plaats voor ‘enerzijds-anderzijds’-journalistiek of relativering.

Van ons krantenverhaal bleef een flinterdunne bijzin over, en op zo’n manier dat ik het onbehoorlijke journalistiek vond en een mail opstelde voor de hoofredacteur.

Framing leidt in bepaalde gevallen tot voor mij shockerende, aantoonbare leugens die na een hoop leuren en sleuren online dan nog wel rechtgezet worden maar zonder een notitie van correctie, laat staan een excuus voor het mediaslachtoffer. 

Poeslief aan de voorkant

Toen Zembla, een van de meest framende tv-programma’s, een tik op de neus kreeg van de Raad van de Journalistiek (‘eenzijdige, onevenwichtige en tendentieuze berichtgeving, waarbij de door klagers verstrekte informatie op onvoldoende adequate wijze is verwerkt’), was de reflex niet: hier moeten we iets mee, nee, BnnVara besloot de Raad niet meer te erkennen. Een Donald Trump-achtige reflex.

Negen van de 10 keer raad ik klanten inmiddels af mee te doen aan Zembla; net als andere ‘consumentenprogramma’s zijn ze poeslief aan de voorkant maar als de camera eenmaal op je gericht staat, wordt het hun show en draait het om hun frame. Wat daar niet past, sneuvelt in de montage. Met soms catastrofale gevolgen voor organisaties.  

Als het gaat om het zelfreinigend vermogen van de journalistiek, geven dergelijke media niet thuis. En organisaties zijn weer tijdenlang bezig om vertrouwen te wekken.

Natuurlijk is er een verschil tussen de amusementsprogramma’s onder de journalistiek -Kassa, Radar, Keuringsdienst van Waarde, Max Meldpunt of (online) Boos - en de journalistiek zwaarder ingestoken programma’s als Nieuwsuur. 

Geroast

In bepaalde ‘consumentenmedia’ is er ruimte om te reageren, liefst live want daarin valt weinig te knippen en plakken. Maar veel winst zul je doorgaans niet halen of je moet van heel goede (mediatrainings)huize komen.

Dat bewees de commercieel directeur van Parkmobile in Radar. Hij werd compleet geroast met één vraag die maar herhaald bleef en waarop ie geen goed antwoord had, zozeer dat heel Nederland het erover had. Hij was duidelijk geen ervaren woordvoerder van wie gehakt gemaakt kon worden maar een wat naïeve man als het om media ging. Zozeer dat we bijna medelijden kregen.

Radar had dat vanzelfsprekend in de gaten door alle publieksreacties. Uitzonderingsgewijs mocht hij terugkomen in de volgende uitzending om in feite het item opnieuw te doen. Deze keer gemediatraind en… hij kreeg ruimte voor zijn kant van het verhaal.

Radar is niet de kwaadste van de amusementsmedia. Het ergste is dat in de media de waarheid heel gemakkelijk op het hakblok gaat. Want framing to the max is angesagt. Ook in de media die we van oudsher wel vertrouwen: een NRC of een Volkskrant.

De journalistiek is daarmee ook verantwoordelijk voor een cultuur van misleiding en maatschappelijk wantrouwen, iets wat het zelf zo makkelijk in de schoenen van woordvoerders schuift.

Ingrid van Frankenhuyzen is directeur van Communisenso, bureau voor crisiscommunicatie en mediatraining. Als journalist/programmamaker werkte ze voor radio, televisie en NRC Handelsblad.

Plaats als eerste een reactie

Ook een reactie plaatsen? Word lid van Adformatie!

Word lid van Adformatie → Login →
Advertentie