De verpleeghuizen hadden moeten schreeuwen van woede

‘De verpleegzorgindustrie is in zichzelf gekeerd’, hoor ik een branchevertegenwoordiger slaken. Dat kun je wel zeggen.

Phil Nijhuis, ANP

Vandaag bezoek ik het graf van mijn moeder. Het is haar verjaardag. Onder mijn arm een rode geranium in een potje. Hier mam, bloemetje.
Heb geen medelijden. Mijn moeder is al een tijd niet meer onder ons. Mijn zoon van twintig heeft haar nooit gezien. Zijn oma heeft de generatie Z maar overgeslagen.

Ze overleed in haar slaap. Thuis. Net toen Bergkamp zo fenomenaal scoorde tegen Argentinië. Op aangeven van Frank de Boer.
Soms is het verband der dingen ver te zoeken.

Overlijden in je slaap, nog voor de verpleeghuisgerechtigde leeftijd; je zou het geluk bij een ongeluk kunnen noemen. Al is het woord ongeluk in dit verband wat ongelukkig.

Op de radio hoor ik een vrouw met een tril in haar stem verhalen over de bezoekersregelingen in het verpleeghuis.  Die zijn versoepeld. Ze mag nu eens per acht weken naar haar moeder. Gebakje meenemen is toegestaan. Knuffelen is verboden. Kleinkinderen zijn dodelijk.
‘Hoe gaat het met uw moeder’, vraagt de verslaggever.
Er valt een stilte.
De stilte zwelt aan.

Corona is van iedereen, iedereen is van Corona. In het volgende item klaagt een horecaondernemer steen en been over de maatregelen. De mensen zijn het zat, zegt hij. Zorgen dat mensen die het zat zijn zatter worden: het is zijn verdienmodel. En ja, alles is eigenbelang.

In de krant lees ik schrijnende verhalen over verpleeghuizen. Over een dorp aan de IJssel waar het gereformeerd mannenkoor voortaan gehalveerd verder moet.
Te hard gezongen.

Ze zongen ook in het nabijgelegen verpleeghuis. De kisten zijn er niet aan te slepen. Waar Corona verschijnt, God verdwijnt.

De logica is als volgt: In de keuze van de mondkapjes gingen de ziekenhuizen vóór de verpleeghuizen.
Als je stokoud bent en nog thuis woont, heb je mazzel als Zuster Covid langskomt. Dan mag je door naar de beademing. Niet dat het helpt, maar toch.
Voor de vergeetachtigen en de luierdragers op leeftijd gelden andere regels. We noemen dat zorgracisme.
Zij worden verzorgd door verpleeghuisverpleegsters zonder kapje. Die kijken jaloers toe hoe hun collega’s in ziekenhuizen al na één dag hun schort weggooien. Zelf betrekken ze hun exemplaren bij de plaatselijke slagerij. Vanwege een chronisch schorttekort. Maar ja, je moet wat als je die oudjes niet wilt laten stikken. Of is stikken een besmet woord in tijden van Corona?

‘De verpleegzorgindustrie is in zichzelf gekeerd’, hoor ik een branchevertegenwoordiger slaken. Ze komt onvoldoende voor zichzelf op.
Dat kun je wel zeggen.

Wat ik van Black LIves Matter leer  - lees vooral door, het verband met de zorg wordt nog wel duidelijk – is dat je hard moet schreeuwen, jarenlang, eeuwenlang voordat je gehoord wordt. Voordat het tot die witte geprivatiseerde, pardon geprivilegieerde en voornamelijk mannelijke hersenen doordringt dat het niet gaat over wat je in al je politieke correctheid bedoelt. Het gaat over wat de ander voelt.
Dat rijmt en het rijmt helemaal niet.

Net als de premier trok ik ooit ook een verontwaardigde wenkbrauw op, toen ze aan mijn Zwarte Piet kwamen. Een jeugdheld in stukken. Inmiddels ben ik van perspectief gewisseld. Het gaat niet om mijn Zwarte Piet. Het gaat om hun Zwarte Piet. En die deugt niet. Dat zie ik nu en daar waren helaas veel meer dan die 8 zeer pijnlijke, historische minuten voor nodig.

Wat hebben we? Een wereldwijde pandemie. Een sprinkhanenplaag in Afrika. Steeds grotere groepen mensen zonder werk. Meer en meer moderne despoten in oude democratieën. Dicht bij huis: boreaal gekakel van slecht geïnformeerde corpsballen.
En we hebben een beeldenstorm.

Welkom in onze gezamenlijke wereld. We noemen haar dystopie. Nog één plaag en we kunnen spreken van Bijbelse taferelen.

Over twintig, dertig jaar trekt een woedende menigte verpleegkundigen door de straten en haalt standbeelden van Hugo de Jonge omver.
Geef ze eens ongelijk.
Ik kijk dan vanuit mijn verpleeghuisraam naar buiten en denk aan mijn moeder. Haar leven was zwaar en vol zorgen. Ze kwam nooit voor zichzelf op. Ze had moeten schreeuwen van woede.
Had ze dat maar gedaan.
Dan kwam in deze laatste regel alles zo mooi samen.

Advertentie
advertisement

Plaats als eerste een reactie

Advertentie