Uit de stoel steekt een vlaggetje. Als je niet beter wist, zou je denken dat het de Israëlische is, vanwege het blauw en wit. Maar het zijn ook de clubkleuren van Tottenham Hotspur FC, die gevallen grootheid uit de Premier League. Samen met mijn (bonus)zonen bezoek ik een wedstrijd. Niet omdat we zo voor Spurs zijn, maar omdat de kaartjes nog een beetje te betalen zijn.
Ik ken die vlaggetjes wel, van mijn eigen club. Van vorig jaar nog, toen ze in de Champions League speelden. Wat ze beter niet hadden kunnen doen.
Mijn club maakt daar altijd een spektakel van. Vlak voordat de wedstrijd gaat het licht uit, klinkt er bombastische fanfaremuziek van Andre Rieu en zwaaien 50.000 man a-ritmisch met dat vlaggetje.
In Nederland moet het altijd vet en hard, dan is het mooi.
In Engeland doen ze dat beter. Hier hebben ze die vlaggetjes ook in de gewone competitie. Gewoon overdag, dus het licht blijft aan. En ze hebben hier geen Rieu. Dat scheelt. Zingen doen ze zelf. En hoe. Uit 60.000 gesmeerde kelen klinkt ‘Oh when the Spurs go marchin’in’. Op de melodie van…enfin dat hoef ik niet uit te leggen. Op grote schermen zien we one lonely trumpet, ergens boven in het stadion die de supporters begeleidt.
‘Kippenvel’, zegt een bonuszoon.
Ik voel ook zoiets. Maar dat zeg ik niet. Dat mag ik niet van mezelf.
Want opgaan in de massa? Mij niet gezien.
Wat is dat toch, die behoefte om afzijdig te blijven, om geen deel uit te maken van het grotere geheel? Terwijl ik – in abstracte zin - enorm voor solidariteit ben, geloof in gemeenschapszin en me oprecht en actief zorgen maak over de verdergaande individualisering. Maar zodra dat theoretische concept de werkelijkheid raakt, haak ik af. Ik vind zo’n zwaaiende mensenmenigte de ultieme definitie van doodeng. Wat beweegt je als mens om de grenzen van je eigen individuele ik open te gooien, de grensbewaking naar huis te sturen en al die 49.999 immigranten in dat stadion bij je binnen te laten? Om samen één te worden onder de noemer van een plastic vlaggetje waarop het logo van je club in harde kleuren is afgedrukt?
Het is de vraag die mezelf vaak stel als ik op zondagmiddag aanschuif in de rij bij mij mijn eigen club, op Noord B, achter de brede rug van een kale man die zijn zesde bier van die dag wegboert.
Angst voor de menigte, zou dat een erkende fobie zijn? Menigtitis? Een soort pleinvrees, maar dan dat het plein helemaal vol staat. Is het omdat het me herinnert aan waar het toe kan leiden, zo’n met vlaggenzwaaiende mensenmassa. Of zit er meer achter? Is het angst voor het gezonde, nuchtere verstand van de massa, met zijn verpletterende in zichzelf kloppende logica waar ik tot mijn wanhoop nooit een goed antwoord op weet. De logica van Henk Vermeer en Mona K. die herauten van de onmogelijke maar op het oog zo gemakkelijke oplossingen voor wereldproblemen.
Waar je niet allemaal last van hebt als je lekker een weekendje met je zonen naar een wedstijdje gaat. Het Spurspubliek trakteert onze voetbalheld Xavi ondertussen op zijn vaste koosnaampjes cunt en wanker. Mooi om te zien hoe de in eigen land vaak verguisde middenvelder hier in de harten gesloten is.
Met Reint Jan Renes spreek ik over mijn aandoening. Hij groeide op in Markelo, waar zijn ouders een mislukte poging deden tot het stichten van een commune. Zijn (vier) broers loefden een leven op de trekker en de disco op zaterdagavond. RJ bleef thuis met een boek. The odd one out, zo zag hij zichzelf. Hij is goed met zijn broers, mind you. Ze draaien de terrasverwarming lager als hij op bezoek komt, vragen wat ze als alternatief op de barbecue kunnen leggen. Want ja, Reint en dat klimaat van hem.
Zo is er wel meer niet in het interview terechtgekomen. We spraken ook over smaak en hoe die onder sociale druk tot stand komt. Dat popliedje uit je jeugd dat je nu hm, best wel aardig vindt. Terwijl je daar vroeger met een grote boog omheen liep. Als iedereen het mooi vindt, kan het niks zijn.
Nee, dat had ik eigenlijk niet zo, zei Reint Jan. Ik vond het toen gewoon niet mooi. En nu wel.
Soms kunnen je gesprekspartners je subtiel laten weten dat je jezelf voor de gek houdt. Dat je best wel eens een beetje uit de pas mag lopen en een extra duwtje nodig hebt als het beestenspul op stal gaat. Maar uiteindelijk ben je net zo’n kuddedier als de rest.
Ergens weet ik dat.
En dáárom zwaai ik niet.
Reacties:
Om een reactie achter te laten is een account vereist.
Inloggen Abonneer nu