‘Mijn moeder zegt dat ik pindakaas moet eten, omdat er zoveel vitamientjes in zitten. Stom hè. Ik vind het gewoon lekker.’ Deze bekende regel schreef copywriter Harry Obdeijn in 1983. Al was hij de laatste die zou claimen dat het succes van een de beste en bekendste commercials van de vorig eeuw aan hem te danken was. Hij gaf de credits daarvoor altijd royaal aan regisseur Hans van Rijs en de vierjarige acteur die lieten ontstaan dat ‘vitamientje’ ‘pitamientje’ werd en de commercial als Petje Pitamientje de boeken inging.
Harry Obdeijn was decennialang een van de smaakmakers van het Nederlandse reclamevak. Eerst als copywriter bij onder meer FHV, J. Walter Thompson en PMSvW en later ook als scherpe, geestige columnist voor Adformatie. Hij overleed op 30 juli op 79-jarige leeftijd in Amsterdam. Het woord bescheiden paste bij hem, al wist hij als geen ander dat schrijven een ambacht is dat niet iedereen beheerst. Zijn bijdrage aan het vak leverde hem niet voor niets in 2011 een plek in de Eregalerij van de ADCN op.
Tot en met 2017 was hij als columnist een van de vaste stemmen van Adformatie. Met milde ironie, veel zelfspot en een feilloos gevoel voor het verschil tussen modieuze verschijnselen en vakmanschap fileerde hij hypes, managementjargon, campagnes en de waan van de dag.
Ik was de hoofdredacteur die afscheid nam van Obdeijn als columnist. Door de integratie van drie titels was er geen ruimte voor alle columnisten. Veranderen doet vaak ook een beetje pijn. De boodschap leek hem niet te overvallen. Hij had er bij mijn voorgangers al rekening mee gehouden. En ook met het theoretische feit dat de dag kon komen dat hij er zelf geen zin meer in had. Hij noemde zichzelf immers al jaren ‘reclametekstschrijver in ruste’.
Maar het schrijven van de columns had hem voldoende plezier gegeven en zijn pen bleef soepel. Hij hield er sowieso van reclame door de bril van de consument te bekijken en het vak had hem zoveel voeding gegeven dat hij door kon blijven gaan. Zijn inlevingsvermogen en verbeelding waren bovendien onuitputtelijk.
We lunchten ter afscheid bij Ron’s Gastrobar in ‘onze buurt’; we woonden een tijdlang op steenworp afscheid van elkaar in Amsterdam-Zuid. Daarna kwamen we elkaar zo nu en dan tegen bij bakker Klopper & Stolk. Een knikje, een zwaai en soms een kort gesprek. Naast het schrijven haalde hij vooral ook plezier uit schilderen, vertelde hij.
Eind april mailde Harry’s vrouw Hanneke dat hij recent de fatale diagnose ALS had gekregen. Zijn vrienden en familie wilden hem een bloemlezing van zijn Adformatie-columns geven. Zover kwam het niet meer. Ik kan het alle Adformatie-abonnees van harte aanbevelen te grasduinen in het magazine-archief en zijn columns terug te lezen. Over het creatieve proces, over zelfbedachte woorden, over jonge en oude honden, over verdwijnende massamedia en over het leven zelf.
In zijn laatste van zo’n 350 columns reflecteerde hij, wederom bescheiden, op zijn eigen rol als columnist:
‘Ik heb me nooit zorgen hoeven maken over wat ik schreef en of dat aanstoot zou geven. Ik was een vertrouwd salontafeltje; u wist me zelfs in het donker te ontwijken. Soms lag er een Perzisch tapijtje op me, soms een Brabants bontje.
Maar dat maakte niks uit. Ik hoorde erbij zolang ik maar zorgde dat mijn vakje gevuld was.
De weerman doet het weer of het nu sneeuwt of regent. Hij kan een man of een vrouw zijn, een snor hebben of een coupe soleil, gekleed gaan in zomerpak of truttig truitje, zolang het weer maar bericht wordt. Precies zoals Jinek en Pauw hun tafel vullen, Maarten Ducrot een touretappe vol lult en RTL Boulevard ons kond doet van alweer een nieuwe showbizz-rel. Zo. Mijn vakje zit vol. De stofjas kan uit. Dit is mijn laatste stukje. U mag ‘jammer’ zeggen, eventueel.’
Jammer is een understatement.
Reacties:
Om een reactie achter te laten is een account vereist.
Inloggen Abonneer nu